Rond

door Vinnerd

‘En u heeft hem nog gekend, grootmoeder?’

‘Jazeker, m’n lieve kind, jazeker. Niet heel goed, maar ik wist wie het was. Een charmante man om te zien, heus waar. Niet dat ik hem zo zag natuurlijk, daar was hij veel te oud voor. Of ik te jong, het is maar hoe je het bekijkt. Maar ik meen mij te heugen dat hij geen onaardig aangezicht had. Ja, ik weet het wel zeker. Prachtige ogen. En zo vriendelijk. Vroeg me altijd hoe het met me ging. Hm? Nee, ik gaf er zelden antwoord op. Hemel nee, veel te verlegen. Ik kroop gauw achter de rokken van moeder. Kon geen woord uitbrengen. Zo’n knappe man. Zo zonde dat het zo heeft moeten lopen.’

‘Vertel dan, grootmoeder, vertel dan!’

‘Gut ja. Vertellen. Waar moet ik beginnen?’

‘Bij het begin, grootmoeder, bij het begin!’

‘Het begin. Even denken hoor, hoe begon het eigenlijk. Ik denk dat het misging, die avond dat hij op de rots was neergestreken om te genieten van het uitzicht. Nu deed hij dat wel vaker, heb ik me laten vertellen. Maar die bewuste avond… Ik weet niet wat hem bezielde, en als klein meisje krijg je natuurlijk ook niet alles mee. Maar wat ik je wel kan vertellen, m’n lieve kind, is dat hij die avond heel opgetogen door het dorp heeft gerend. Hm? Nee, dat heb ik natuurlijk niet zelf gezien. Toen lag ik allang in bed. Maar ik heb het me laten vertellen, en ik weet dat het waar is. Hoe ik dat weet? Het hele dorp had het erover de volgende dag. Het hele dorp! Ze versleten hem voor gek, kierewiet, koekoek. Van lotje getikt, van de pot gerukt, knotsknetter… nu ja, je begrijpt het wel.
Je kunt het niemand kwalijk nemen, lieverd. Wie bedenkt nu zoiets? En het was zo’n respectabele man. Intelligent, onderwezen, een rooskleurige toekomst voor zich. Presentabel ook, zijn kleding altijd keurig. Voor zover ik me herinner dan he, voor zover ik me meen te heugen. Maar het zal vast zo geweest zijn, anders had hij niet zoveel indruk op me gemaakt.’

‘En toen, grootmoeder? Wat gebeurde er toen?’

‘Toen, ja, toen. Even denken hoor. Gut kind, het is ook zo lang geleden. Toen vertrok hij. Niet direct de volgende dag natuurlijk, er zal ongetwijfeld flink wat onderhandeld moeten zijn. Als kind sta je er niet zo bij stil, maar nu ik er nog eens aan terugdenk vind ik het maar een vreemde zaak. Waarom kreeg hij geld om de expeditie op touw te zetten? Waar haalde hij de bemanning vandaan? Zo iemand had tegen zichzelf in bescherming genomen moeten worden, ik zeg het je. Toen? Toen ervoer ik dat niet zo hoor. Natuurlijk niet, ik vond het vooral heel erg spannend. Voor hem vooral, voor hem. Zijn droom achterna. Gut, merk ik dat ik toch een beetje volschiet. De arme man. Hier werd zijn overtuigingskracht zijn ondergang. Maar het was ook zo’n charmante man, zo’n vlotte babbel. Kon iedereen om zijn vingers winden.’

‘Waar ging hij heen dan, grootmoeder?’

‘Naar Indië. Althans, dat was zijn plan. Er moest een korte route zijn, zoiets. De oceaan oversteken, dat soort onzin. Hij had het idee opgevat dat de wereld wel eens rond zou kunnen zijn.’

‘Rond, grootmoeder?’

‘Rond lieverd, rond. Rond als een watermeloen. De arme man. Van de een op de andere dag krankjorum. Maar goed, m’n lieve kind, het is allang bedtijd geweest. Kom, we gaan naar boven. Stop ik je even lekker in. Vertel ik je morgen het verhaal van Archimedes. Ook zo droevig. Dood gevonden in zijn badkuip. Uitgegleden. Vermoedelijk wild overeind willen springen. Moet je trouwens niet nog even plassen voor je gaat slapen?’

Advertenties