Lachen

door Vinnerd

Ik vind hem niet eens aantrekkelijk. Verre van zelfs, al moet ik hem wel geven dat hij behoorlijk goed afsteekt tegen de slapende chinees naast hem. Maar daar is dan ook alles mee gezegd. Gekke bril, gekke sjaal, gekke neus, gekke kin. Ik wil niets van hem. En toch, in een fractie van een seconde, vinden onze ogen elkaar. Heel even maar, genoeg voor mij om te zien dat die van hem te dicht bij elkaar staan.

Ongemakkelijk. Ik wil niet kijken en ik mag niet kijken, maar toch moet ik de behoefte onderdrukken. Zijn seksloze verschijning intrigeert me. Ik zoek zijn aangezicht op via de spiegelende treinruit. Hij doet hetzelfde. We delen wederom een moment en ik sla mijn ogen gegeneerd neer.

Mijn mondhoeken krullen omhoog. Niet lachen, ik verbied het mezelf. Maar als ik me visualiseer hoe ongepast en vreemd het zou zijn als ik plotseling, uit het niets, in proesten uit zou barsten, kan ik mijn eigen lachspieren niet meer de baas. Bijtend op mijn wangen graai ik in mijn jaszak, op zoek naar m’n telefoon. ‘Ik ga gewoon naar mijn scherm staren en doe alsof ik iets grappigs lees’. Maar ik kan hem niet vinden en met het schaamrood op mijn kaken laat ik mijn emotie gaan, terwijl ik mijn hoofd richting het raam draai. Ik durf de coupe niet in te kijken, uit angst voor vragende blikken. Via de ruit zie ik een voluptueus zakenman naast me ook naar buiten kijken, zoekend naar de oorzaak van mijn lachbui. We rijden net langs een leeg weiland.

Nog een minuut of vijf en ik mag uitstappen. Ik zoek mijn chipkaart en bedenk vast de snelste route de trein uit. Ik zou pas opstaan als de deuren al open zijn, zodat ik in een keer weg kan schieten.

Eenmaal buiten draai ik me nog een laatste keer om. De man met de gekke bril kijkt terug, vanachter de treinruit. Ik zie dat hij een glimlach onderdrukt. Ik hoop voor hem, en dat hoop ik van harte, dat het bij een glimlach blijft. De slappe lach in een overvolle trein als je alleen bent is nooit grappig.

Advertenties