De bosnimf

door Vinnerd

Diep in het Wiggelwoud, een bos naast het Miggelmeer, woont Cor het monster.
Vanwege zijn weerzinwekkende verschijning – en zijn eveneens weerzinwekkende adem – heeft Cor weinig vrienden. En als ik zeg ‘weinig’, bedoel ik eigenlijk maar één. Smegje de Dwerg, die zo heet omdat hij een dwerg is.
Cor en Smegje leven al sinds monster- en dwergenheugenis in het Wiggelwoud. Iedere zaterdagmiddag spreken ze af, om gezamenlijk af te reizen naar het Miggelmeer. Ze zouden dit in principe iedere dag kunnen doen, maar aangezien alleen op zaterdagmiddag de jonge bosnimf zich baad in het meer, voelen ze alleen dan de behoefte de reis te maken.
Zo ook deze zaterdagmiddag.

Als het tweetal het meer bereikt, is de bosnimf al druk bezig haar naakte lichaam af te spoelen onder de waterval. Haar welgevormde, lichtroze borsten – drie stuks – zouden bijna de aandacht van haar zo mogelijk nog welgevormdere, lichtroze vagina’s afleiden. Bijna, maar net niet helemaal.
‘Ben je een borsten- of een billenman?’, vraagt Smegje aan Cor.
‘Momentje. Bijna klaar’, zegt Cor en hij veegt zijn billen af.
Hij hijst zijn broek op en gaat naast Smegje in de bosjes liggen. Hij bestudeert de bosnimf en denkt na.
‘Kut’, zegt hij dan.
‘Wat?’, vraagt Smegje.
‘Kut. Ik ben een kutjesman.’
‘Dan mag jij haar kutten. Ik ben een billenman.’

Dan, als afgesproken, springt het tweetal op. Ze rennen langs de waterkant op de bosnimf af, die net druk bezig is haar tanden te poetsen. Cor trekt de nimf op de kant en drukt haar tegen de grond. Hij vult haar vagina’s op met zijn pikken. Terwijl hij bezig is, klimt Smegje via haar bil omhoog en steekt zijn piepkleine piemeltje in haar piepkleine poepgaatje. Zo verkrachten ze haar.
Wanneer beide zichzelf tot een heerlijk hoogtepunt geneukt hebben, stappen ze op.

‘Tot volgende week’, roept Cor de nimf na.
Ze kijkt op en glimlacht.

Advertenties