IKEA-kast

door Vinnerd

Toen ik uit huis ging, zo’n kleine vierhonderd jaar geleden, kreeg ik van mijn ouders een spuuglelijke, maar uitermate functionele, kledingkast mee. Een soort oprotpremie, als het ware.
Die kast (van de IKEA, uiteraard) is in de daarop volgende jaren zo’n vijftien keer in- en uit elkaar gehaald. En de ervaren Ikeanist kan beamen: daar zijn die meubels niet op gebouwd. Die moet je één keer in elkaar schroeven, hooguit nog een tweede keer in het geval van een verhuizing, maar daarmee basta. En dat ik deze Gouden Regel niet heb nageleefd, heb ik geweten.

Ik weet niet precies wat me bezielde, maar ik voelde opeens de extreem sterke behoefte om al het stof vanachter mijn kast weg te zuigen. Dus ik schoof hem wat naar voren, wat naar links, nog wat naar voren en toen viel hij spontaan uit elkaar. En dan overdrijf ik niet. Ik had alleen nog de zijkant vast. De spijkers aan de achterkant (die daar ook eigenlijk helemaal niet hoorden, maar dat terzijde) hadden het begeven en er viel een plank op mijn teen (die toch al een beetje scheef stond).

Nu heb ik meteen van de gelegenheid gebruik gemaakt om mijn kleding eens goed uit te zoeken, want er kwamen opeens shirts tevoorschijn waarvan ik het bestaan niet eens wist. Dat was dan wel weer handig.

Hoe dan ook, ik moest wel een nieuwe kast hebben. Want dat hoort. Dus na flink wat online research (waar ik dol op ben), viel mijn oog op een goedkope vervanger. Slechts zestig euro en helemaal niet eens spuuglelijk. Best prima, eigenlijk.
Dus ik ging naar de IKEA, mikte wat geurkaarsen in mijn tas (en een nieuwe spatel, mintgroen) en waggelde naar het magazijn. Stelling 53, vak 24. Daar lag hij. Mijn nieuwe beste vriend. Ik liep naar de pakketten en trok de bovenste van de stapel.
Althans, dat probeerde ik. Veertig kilo.
Dat had ik van tevoren wel al opgezocht, maar ik had veertig kilo toch een kilo of dertig minder zwaar ingeschat. Geen beweging in te krijgen. Nu kon ik hem wel op een wagentje plaatsen om hem naar de kassa’s te rollen, maar ik moest hem ook nog de trein in zien te krijgen. En de bus. En drie trappen op. In mijn eentje.
Heel even zag ik het niet meer zitten. Want de autist in mij moest en zou een kast kopen, als dat de reden is waarvoor ik naar de IKEA ging.
Gelukkig was daar mijn reddende engel, Breim.
Breim is een afzichtelijke, knalroze kledingopberger, die eigenlijk meer wegheeft van een tent dan van een kast. En zo ruikt hij ook, naar een tent dan. Er zit zelfs een rits in. Maar, niet onbelangrijk: hij woog maar tien kilo.
Dus nu is mijn slaapkamer een roze gevaarte rijker. Breim ruikt een beetje vreemd en er zitten allemaal kreukels in (want het is letterlijk een metalen geraamte met daaroverheen een tentdoek gespannen), maar dat trekt hopelijk allemaal bij. Gelukkig heb ik geurkaarsjes om de boel mee te maskeren.

Oh, en het stof achter mijn kast is weg. Of, nou ja, weg, het is verplaatst. Naar de zak in mijn stofzuiger.

Advertenties