Het mannetje

door Vinnerd

Ik zat laatst op een terrasje (of eigenlijk zat ik buiten bij de Burger King, maar een terrasje klinkt wat gezelliger). Ik at patat en hamburgers en dronk cola. Degene met wie ik was at ook patat en hamburgers, maar dronk sinas.
We hadden uitzicht over het Leidseplein. Aangezien we elkaar weinig te melden hadden en wat moe waren, bekeken we mensen en bedachten we er verhalen bij.
Er liep een androgene jongen voorbij met blauw haar en een legging als broek. Moet kunnen. Hij (zij?) had een neuspiercing en droeg een shirt met bloemetjes. Vrolijk, opvallend en uniek. Ik gaf hem drie uur voordat hij in elkaar zou worden geslagen.
Ook liep er een jongen met een vetkuif en lederen jack. Zijn afgetrainde lichaam was duidelijk zichtbaar door zijn strakke shirt. Dat hij bloedmooi was, leek hij zich maar al te goed te beseffen. En dat maakte hem meteen een stuk minder aantrekkelijk.
Verder liepen er wat sletjes van een jaar of zestien, die duidelijk voor het eerst in Amsterdam waren. En nog wat mensen die het benoemen niet waard zijn (of misschien ook wel, maar ik ben ze compleet vergeten. Dat zegt wel wat).

Onze aandacht was inmiddels lang en breed vervlogen en we wilden net onze spullen pakken, toen er een mannetje voorbij liep. Een heel oud, bebrild mannetje. Ongeveer net zo groot als mijn veertienjarige zusje, al oogde hij nog kleiner omdat hij krom liep. Hij waggelde over het plein met zijn stok, keek gelukzalig uit zijn kleine kraaloogjes en genoot zichtbaar van het zonnetje. Hij deed het lekker rustig aan.
Dat verbaast me overigens wel vaker, hoe rustig sommige bejaarden kunnen doen. Als je al met een been in het graf staat, zou je toch moeten weten hoe kostbaar je laatste jaren, weken, dagen, of zelfs uren zijn? Hup, doorlopen, denk ik dan. Maar dat doen ze nooit.
Wat het precies was waardoor dit mannetje onze aandacht zo vast wist te houden, werd ons niet duidelijk. Misschien was het zijn serene uitstraling. Misschien lag het aan zijn contrast met de rest van het volk. Misschien hoopten we onbewust dat hij zijn stok verkeerd zou neerzetten en onderuit zou gaan.
‘Ik denk dat hij heel gelukkig is’, zei de persoon met wie ik was.
‘Dat denk ik ook’, zei ik. ‘Ondanks dat zijn vrouw al jaren dood is. Borstkanker.’
‘Hij maakt dit wandelingetje vast ieder dag.’

Wat hij wel is:
Oud en broos
Wat hij niet is:
Rimpelloos    

Stok, voet, voet. Stok, voet, voet.
Doelgericht (maar uitermate sloom) liep hij het plein over. Waar hij naar op weg was? Misschien naar zijn kleinkinderen, om hun wekelijkse zakgeld af te geven. Misschien naar zijn nieuwe vriendin, een vrouw van negentig die – ondanks dat ze de overgang lang en breed achter de rug heeft – nog steeds maandverband moet gebruiken. Misschien liep hij gewoon een rondje, om straks beter in slaap te kunnen vallen. Of misschien was hij op weg naar huis, met de smaak van een negenjarig piemeltje nog in zijn mond.

Advertenties