Haat aan straatverkopers

door Vinnerd

Het is zaterdagmiddag half drie als ik besluit een paar haltes eerder uit te stappen, zodat ik nog even langs de Hema in de Kinkerstraat kan. Het moment dat in mij omdraai om de straat over te steken, heb ik al spijt. Ze staan er weer: straatverkopers.

Wegrennen heeft geen zin. Ze zijn met meer en hebben waarschijnlijk een betere conditie. Zelf heb ik ooit een dag op de straathoek gestaan om Parool-abonnementen te verkopen, dus ik weet hoe doorgewinterd en slinks ze zijn. Ik niet. Ik was na een dag al weg.

Ik besluit dat de beste verdediging uit de aanval bestaat. Ik recht mijn rug en kijk strak voor me uit. Dan loop ik op de deur van de Hema af.
“Meneer.”
Ik reageer niet.
“Meneer?”
Ik reageer niet.
“Meneer!”
Ik kijk geschrokken op.
De jongen geeft me niet de kans om bij te komen van de schrik en steekt met zijn verkooppraatje van wal. Hij houdt stil bij een vraag en kijkt mij verwachtingsvol aan, in afwachting van een reactie.
Ik blijf hem strak aankijken en poog de schrik in mijn blik vast te houden. Ik kantel mijn hoofd wat en kijk hem bestuderend aan. Een vluchtige blik over mijn schouder. Terug naar de jongen.
“Meneer…?”, zegt hij aarzelend.
Ik kom dichterbij. Een klein stapje. Ik laat mijn ogen langs zijn gehele lichaam glijden. Ik schraap mijn keel en buig wat naar voren. Ik ruik zijn hals. Ik steek het puntje van mijn tong uit mijn mond en bevochtig mijn lippen. Dan fluister ik in zijn oor. Zachtjes, heel zachtjes.
“Kunt u mij zien?”
Langzaam doe ik een stap achteruit, terwijl ik de jongen verdwaasd blijf aankijken. Nog een stap naar achter. Dan draai ik me in één ruk om en ren naar de deur. Als ik deze open gooi, werp ik nog een laatste, angstige blik over mijn schouder. Dan schiet ik de winkel binnen.

onzichtbaar1

Ik heb gewonnen.

Advertenties